Toneelgroep Het Volk blijft trouw aan zichzelf

Meppel - Terwijl de FNV zich druk maakt over het moeten doorwerken tot je 66e, gaat toneelgroep Het Volk, waarvan Wigbolt Kruijver 68 en Bert Bunschoten 67 is, onverdroten door met het presenteren van nieuwe voorstellingen overal in den lande. En reken maar dat dat een zwaar beroep is…

Locatie: Ogterop, Meppel
Waardering: ****

De carrière van Het Volk overziende kun je constateren dat het gezelschap zo langzamerhand een opmerkelijk oeuvre heeft neergezet met een aantal specifieke, persoonlijke kenmerken. Een daarvan is hun omgang met structuur. De structuren waar hun werk vol van zit, zijn gebaseerd op tegenstellingen. Tegenover een stuk over hard werkende - en ruziënde – arbeiders (Blauwdruk), staat een stuk over lanterfantende – en eveneens ruziënde – krakers (Kaaljakkers. Tegenover een stuk over drie zussen (Een zomerjurk vol verdriet) staat een stuk over drie al overleden neven (Gebakken meeuw), enz.

Absurdisme

Het is alsof de groep van ieder thema twee duidelijk tegengestelde versies wil laten zien. Vorig jaar deden zij Ogterop aan met een scherpe sociale komedie van Yasmina Reza (De god van de slachting), dit jaar keren zij terug naar hun oude stiel met het zelfgeschreven stuk, Het vermoeden van Poincaré, waarin het absurdisme weer hoogtij viert. Neem alleen al de titel. Wie was Poincaré? Een Franse wiskundige, die zich vooral heeft bezig gehouden met differentiaalvergelijkingen, de chaostheorie en meer van dat soort amper vermakelijke zaken. Wie van al degenen in de zaal interesseert dat? Met ‘een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid’ - zoals Poincaré het zelf formuleerde - kun je zeggen: niemand. Ook Het Volk niet. En dat is nou juist de gein van het absurdisme: het zet de zaken op zijn kop, het laat ons kijken naar een verwrongen wereld, een wereld die enerzijds verontrustend veel lijkt op die van ons, van nu, maar die anderzijds zo veilig ver weg is, dat je er hartelijk om kunt lachen.

Irritaties en misverstanden

In Het vermoeden van Poincaré maken we kennis met twee oudere mannen, Mess en Herr, die ingesneeuwd zitten in een klein chalet in de bergen. Herr zat er eerst, Mess, aanvankelijk gekleed in een zwarte pij met puntkap, komt er later bij. De mannen mogen elkaar niet, zodat in hun gesprekken allerlei irritaties en misverstanden de kop opsteken. Mess is overdreven nieuwsgierig naar Herrs overleden vrouw, die tijdens een gezamenlijke wandeling in een ravijn is gevallen, iets waar Herr het absoluut niet over wil hebben. Maar af en toe verspreekt hij zich, zodat we langzaam maar zeker zicht krijgen op een drama, dat doet denken aan het verhaal over ‘het geval’ Peter Schat. Mess zelf hult zich vooral in vaagheden en modern geouwehoer (‘Ik ben een mensenmens’), maar slaagt er tenslotte, nadat hij zich weer verkleed heeft in zijn doodskledij, toch in om Herr mee naar buiten te krijgen, ‘terug naar je vrouw’, zoals Mess onheilspellend aankondigt. Een sinister slot.

Handelsmerk

Het Volk vermeit zich in Het vermoeden niet alleen in een terugkeer naar een ander stilistisch verleden, maar leeft zich ook weer ongeremd uit in wat hun handelsmerk is geworden, het verhaspelen van moeilijke woorden en zeldzame uitdrukkingen. Zo hebben ze het over ‘protostant’ en ‘kattelie’, praten ze over ‘opleven’ in plaats van ‘opleveren’ en over ‘uw vrouw wijlen’ en ‘uw wijlen vrouw’. Zichzelf noemen ze ‘schouwspelers’. Voor de echte liefhebbers passeren af en toe verwijzingen naar vroegere stukken de revue.

Vakmanschap

Qua speelstijl verandert Het Volk niet veel. Gelukkig niet, want de zwaarwichtige onnozelheid van Wigbolt Kruijver en het overdreven moeilijk doen van Bert Bunschoten zijn nu eenmaal gekoesterde elementen voor de trouwe aanhangers van de groep. Daarnaast is hun vakmanschap buiten kijf, hun timing is perfect, hun dictie onberispelijk. Zo zou het gezelschap nog jarenlang door kunnen gaan. Ware het niet…

Theo de Jong