Het moderne leven
Door Misja Boonzaayer

Dus… aardig

Ik moet iets bekennen. Een lang bewaard geheim met jullie delen. Mensen die mij persoonlijk kennen, zijn al op de hoogte. En mensen die mij wel eens meemaken als ik moe, niet fit of boos ben, die kunnen het horen. Maar mensen die mij alleen uit de krant kennen… die zouden wel eens geschokt kunnen raken.

Ik ben een westerling. Een Rotterdammer (ik geef even de gelegenheid om dit te verwerken). 

Ik heb jullie jarenlang maar voor de helft verstaan. Ik had geen weet van sommige tradities (door weer en wind langs huizen gaan voor snoep. Kleine rolletjes vullen met slagroom. Anorganische verbindingen uit een melkbus schieten. Ik loop er even een paar lukraak langs). En had er zelf ook nogal wat.

Zo neurie ik af en toe ongemerkt iets over een kleine jongen en rattennesten, eet ik geen bieten maar kroten, slik ik van 100 eind ‘ennen’ er moeiteloos een stuk of 89 in (en plaats willekeurig een t achter wat woorden), drink ik geen koffie maar pleur en kijk ik uit pure chauvinisme graag naar de programma’s van Herman den Blijker.

Sorry daarvoor. Want die fratsen van ons, die zullen zo af en toe best eens wat wenkbrauwen doen fronsen. Want hoezeer wij Rotterdammerts ook ons best doen om naadloos op te gaan in het leven van de noordelingen, zo af en toe word ik weer even hard geconfronteerd met de afstand.

Zo was ik laatst op een eetbare plantjesmarkt. Dat was al bijzonder, want in Rotterdam is er natuurlijk geen vierkante centimeter te vinden waar je nog je eigen kroten kan verbouwen. Ik was daar dus al een bijzonder soort, als het ware. Ik kon er niets aan doen dat ik een gesprek hoorde tussen een lokale mevrouw en een lokale bijzondere-eetbare-plantjesverkoper. Haar dochter was verhuisd en daar haalde ze altijd aardbeien uit de tuin. Dus ja, verzuchtte ze. De lokale bijzondere-eetbare plantjesverkoper opperde dat ze vrienden moest worden met de nieuwe bewoners, maar dat bleek geen optie ‘want dat zijn westerlingen’.

En toen deed ik een suggestie van de hand. Het floepte er zo uit. Dat die westerlingen misschien wel heel aardig zijn. De lokale mevrouw keek even verrast, maar herpakte zich snel. Ze had ze al ontmoet, en nee, dit waren geen aardige mensen. Ok, onaardig, veerde ik mee. Maar dat is niet omdat ze westerling zijn toch?

Dus mensen: sorry. Ik liet me even gaan. Ik hoop dat jullie me nog steeds aardig vinden.