Recensie: Kaspar van Kooten wil Speeltijd

Steenwijk - De cabaretier wiens gezicht dit seizoen op het programmaboek van De Meenthe prijkt, was woensdagavond te gast in het Vestzaktheater. Na een afwezigheid van vier jaar toert Kaspar van Kooten (48) weer langs de theaters. Zijn 10de voorstelling heet ‘Speeltijd’. Het is een allegaartje van sketches, stemmetjes, imitaties en gedichten.

Van Kooten heeft geen verkleedpartijen, muziekinstrumenten en decorstukken nodig om het publiek bijna twee uur lang te boeien. Met enkel een microfoon en barkruk staat hij op het podium. Gekleed in het zwart, zijn de Hugo de Jonge-achtige zilverkleurige schoenen, de enige frivoliteit die hij zichzelf veroorlooft.

„Heel veel mensen zijn de hele dag bezig met hun nalatenschap, maar realiseren zich niet dat ze na hun dood meteen vergeten zijn. Ik ben daarom koortsachtig bezig met het nu, mijn speeltijd”, introduceert Van Kooten het thema van zijn voorstelling. De cabaretier heeft veel interactie met het publiek. Hij is openhartig over zijn eigen ‘naar alcoholverslaving neigende drankgebruik’ en wil vingers zien van toeschouwers die zich in hem herkennen. Als plotseling drie toeschouwers opstaan om naar het toilet te gaan, laat hij zich daardoor niet van de wijs brengen. Hij is even de draad kwijt, maar reageert relaxt. Improviseren gaat hem goed af.

Tot nadenken stemt Van Kootens verhandeling over gewenste en ongewenste vreemdelingen. „Waar zijn we nog allemaal zo bang voor? Een ongewenste bekende jaagt mij veel meer angst aan.” Met zijn sketch over ‘scheiden’ zet hij zijn toeschouwers knap op het verkeerde been. Veel indruk maken ook de gedichten die hij voordraagt over waken over zijn vierjarige dochter en zijn zieke vader Kees. Tijd om over deze pareltjes na te denken of iets weg te slikken, gunt Van Kooten zijn toeschouwers niet. Vooral bij het ten tonele brengen van de irritant pratende hamsters van de AH, had zijn timing beter gekund. Een grotere overgang van het ene naar het andere onderwerp is nauwelijks denkbaar. Het is trouwens wel voor eerst dat hij zijn beroemde vader tijdens een voorstelling benoemt.

Na mate de voorstelling vordert raakt het thema Speeltijd op de achtergrond. Van Kooten valt terug op de expertises, waarmee hij in zijn vorige voorstelling veel bijval oogstte: imitaties en stemmetjes. Het is heel vermakelijk hoe hij Johan Derksen en Ivo Niehe nadoet, maar daarmee presenteert hij zich toch anders dan de beschrijving in het theaterprogramma deed vermoeden. Daarin kondigde Van Kooten aan dat hij rauwe stand-up comedy wil brengen en de naakte waarheid. Hij zegt zelfs aan het begin van de voorstelling dat hij niet zoveel moeite moet doen om iemand anders te spelen. De voorstelling doet vermoeden dat de cabaretier op twee gedachten hinkt en het oude vertrouwde nog niet kan loslaten.

Mooi is weer het slotgedicht waarin Van Kooten betreurt dat hij met zijn oude vrienden ‘is uitgedeeld’. Tijdens het voordragen is het licht gedoofd en is alleen op zijn gezicht een lamp gericht. De naakte waarheid verbeeldt hij zo treffend. Met nog een kort verhaaltje sluit de cabaretier zijn voorstelling af met de woorden: „Het moeilijkste is te lijken op mezelf.” Die eigenschap heeft hij van geen vreemde.

Hilda Knol