Het moderne leven
Door Misja Boonzaayer

Dus… eerlijk

Afgelopen 14 maart was ik precies 11 jaar officieel mevrouw Boonzaayer. En dat gingen we vieren!

Dus trok ik wat moois aan, föhnde ik de coup, lakte ik mijn nagels en accentueerde ik mijn contouren met een make-upje. En toen gingen we uit eten, meneer Boonzaayer en ik en alle kuikens. En we namen waar we zin in hadden en we dronken dito, en zo liepen we licht rozig en voldaan zo – hup – de quarantaine in.

Zodat ik die maandag ineens niet mevrouw op het puntje aan het uithangen was, maar met mijn kuikens aan tafel het schoolwerk zat te doen.  Stipt om half 9, want hee, we moeten het ritme erin houden voor als ze straks weer gewoon naar school gaan.

Maar straks werd later en ritme werd een soort van ritme en nadat ik in week twee m’n kraamtranen de vrije loop heb gelaten, ontstond langzaamaan een nieuw ritme. Het corona-ritme. Het ritme waarin de kuikens prima om tien uur kunnen ontbijten en hun ochtendwerkjes ergens tussen half elf en twee kunnen doen.

En waarin ik inmiddels het vogelnest niet meer uit mijn barbaars lange haar geharkt krijg. Dat make-upje sla ik voor het gemak maar over, want een opgemaakt hoofd boven een huispak is als een vlag op een modderschuit. Zodat ik ook geen bh meer aantrek, want wie trekt er nou een bh aan onder een huispak?

Totdat ik ineens moet teamen, whatsappen, zoomen, skypen of facetimen. Dan moet ik de schijn wekken van enige verzorging. Dus frommel ik mijn droge bos touw in een staart, trek ik een hip, fris shirtje aan en ga ik zo zitten dat je niet kunt zien dat ik nog steeds geen bh aan heb.

En ga ik dus een poosje zitten staren naar een scherm met allemaal vrouwen erop die het wél voor elkaar krijgen om zonder onderkin in beeld te komen. Die misschien ook geen bh aan hebben, maar zich wel hebben opgemaakt. En die de hele tijd naar mijn bleke, onopgemaakte hoofd met onderkinnen moeten kijken. Maar het allerergste van alles is, is dat ik dat nu ook zie. Nooit eerder heb ik zo vaak vergaderd terwijl ik naar mijzelf zit te kijken. Die zakkende oogleden, die omlaag hangende mondhoeken, ik wéét wel dat ik ze heb, maar nu zíe ik ze de hele tijd.

Dus stel ik voor dat vanaf nu niemand meer zijn best doet om er goed uit te zien tijdens het beeldbellen. Dan is het tenminste eerlijk.