De mislukte noodlanding van een Engelse ‘Halifax’ bij Ruinerwold

Regio - In Luchtpost vertelt Gerrit Boxem elke week een bijzonder luchtvaartverhaal. Deze week: de zoektocht naar het bemanningslid van een Engelse Halifax bommenwerper uit de Tweede Wereldoorlog.

Eind mei is bij Ruinerwold tevergeefs gezocht naar de stoffelijke resten van een nog vermist bemanningslid van een Engelse Halifax bommenwerper uit de Tweede Wereldoorlog. Hij werd in de nacht van 29 op 30 december 1943 boven dit Drentse dorp door een Duitse jager neergehaald. Wat er zich in die bewuste nacht boven Ruinerwold heeft afgespeeld kunt u vandaag in Luchtpost lezen. Het is het verhaal zoals ooggetuige Piet Jalvingh, zoon van de toenmalige veearts uit Ruinerwold, dat in de jaren ’70 heeft verteld aan luchtvaarthistoricus Ab A. Jansen.

In de nacht van 29 op 30 december 1943 voerde het Bomber Command van de Engelse luchtmacht een luchtaanval uit op Berlijn. Ruim 700 bommenwerpers wierpen in die nacht 2000 ton bommen af op de Duitse hoofdstad. Uiteindelijk keerden twintig Engelse bommenwerpers niet terug op hun thuisbasis. Een van hen was een viermotorige ‘Halifax’ die al op de heenweg door de Duitsers werd neergeschoten. Anderhalf uur nadat deze bommenwerper van zijn thuisbasis in Yorkshire was vertrokken, kreeg een Duitse Messerschmitt nachtjager, bemand door Oberleutnant Heinz-Wolfgang Schnaufer, het geallieerde vliegtuig boven Drenthe te pakken. De Duitser vuurde enkele salvo’s op het Engelse vliegtuig af met als gevolg dat het om 18.50 uur bij Ruinerwold neerstortte. Daarbij kwam de gehele zevenkoppige bemanning om het leven.

Gierend geluid

Piet Jalvingh: ‘Op die bewuste avond was het pikkedonker en de geallieerde bommenwerperformaties vlogen op grote hoogte richting Duitsland. Plotseling hoorde ik een korte salvo uit een mitrailleur. Even leek het of er niets was geraakt, maar een seconde of tien later hoorden we een vliegtuig aankomen met een enorm gierend geluid. Het draaide een rondje boven Ruinerwold waarna het stil werd, op het geronk van de hoogvliegende formaties na dan. We renden naar buiten en zagen een helverlichte plek ten noordoosten van ons dorp. Jaap Schurink (een assistent van mijn vader) en ik gingen direct naar de plaats van de ramp. Het vliegtuig was neergekomen op ongeveer 250 meter ten oosten van de weg Ruinerwold-Havelte en ongeveer 300 meter ten zuiden van het riviertje de Beilerstroom. Zo te zien was het toestel nog redelijk intact en lag met zijn neus naar het westen, maar de stuurboordvleugel stond in brand. We zetten de auto in de berm en begaven ons met een reeds aanwezige agent naar het toestel. We konden naderen tot op 30 meter afstand. Er stonden daar drie bomen, waar we automatisch achter gingen staan. De brand breidde zich razendsnel uit naar de romp. In de vuurgloed hoorde je af en toe geknal van ontploffende patronen. Toen we duidelijk hulpgeroep hoorden, besloten we richting staartzijde van het vliegtuig te lopen. We hadden onze schuilplaats achter de bomen net goed en wel verlaten toen er een huizenhoge vuurstraal recht omhoog schoot uit de romp. Iemand riep dat we dekking moesten zoeken waarop ik me direct op de grond liet vallen. Tegen het licht van de explosie zag ik de hoed van Jaap Schurink met een rotgang de lucht invliegen.’

Wrakstukken

‘Terwijl we op de grond lagen, vielen er allemaal roodgloeiende wrakstukken om ons heen. Toen de regen van vallende vliegtuigonderdelen was opgehouden, durfde ik weer te kijken en zag dat het toestel helemaal uit elkaar was geslagen. Direct daarop ben ik naar de weg gerend waar onze auto stond. Ook Jaap Schurink arriveerde daar even later. De agent was spoorloos. We besloten hem te zoeken en liepen terug naar de plaats waar we hem het laatst hadden gezien. Al gauw ontdekten we hem. Blijkbaar was hij geraakt want het lopen viel hem zwaar. Later bleek een scherf zijn knie te zijn binnengedrongen. We namen hem tussen ons in en brachten hem uit de buurt van het brandende vliegtuigwrak. Met een passerende auto werd de man even later naar het ziekenhuis in Meppel gebracht. Toen het wrak bijna was uitgebrand zijn we weer naar huis gereden. Toen pas bleek hoe hevig de ontploffing was geweest. Op kilometers afstand, tot zelfs in Meppel, waren de ruiten gesneuveld. De volgende ochtend ben ik alleen naar het wrak teruggegaan; er was toen nog steeds geen bewaking. Op zo’n 50 meter van het wrak lag een van de motoren die blijkbaar vlak voor de noodlanding, toen het toestel enkele bomen had geraakt, was afgebroken. Ik demonteerde enkele onderdelen: een oliepomp en een dynamo, die ik nog steeds thuis heb liggen. Later op de dag ben ik er nog een keer met Jaap Schurink heen geweest. Toen was er wel bewaking, maar de schildwacht liet ons rustig onze gang gaan. Jaap vond even later zijn hoed terug. Die lag helemaal aan de andere kant van het vliegtuig onder een vleugel. De ontplofte ‘luchtmijn’ had een gat met een middellijn van 13 meter in de grond geslagen. Het staartstuk stond nog overeind. Op verzoek van mijn vader ben ik later nog een keer bij het wrak geweest om het nummer dat op de staart stond te noteren. Dit registratienummer (JD314, G.B.), dat nog duidelijk zichtbaar was, heb ik doorgegeven aan iemand die het zou doorsturen naar Engeland. Later hoorde ik dat in het staartstuk nog een dood bemanningslid had gezeten.’

De verongelukte bemanningsleden van de Halifax die liggen begraven op de algemene begraafplaats in Ruinerwold zijn: gezagvoerder Paul Brian Green, navigator Andrew Colbourne, bommenrichter Robert Edward Roos, radiotelegrafist Stanley Webb, boordwerktuigkundige Walter Douglas Hall,  boordschutter Donald Robert Cox Appleyard. Staartschutter Philip John Greenmon is tot op de dag van vandaag vermist.