Ransuil | Column Natuur om de hoek

Ransuil weet zich goed te verstoppen. Foto: Barbara Ruis-Stöpetie

„97, 98, 99, 100. Wie niet weg is, wordt gezien. Ik tel tot tien: 1!, 2!, 3!, 4!, 5!, 6!, 7!, 8!, 9!, 10!” Zo eindigt meestal het aftellen bij verstoppertje spelen. Dit spelletje kunnen kinderen vrijwel overal spelen, binnen in huis of buiten in de tuin. Nog leuker is het op een boerderij en helemaal spannend is het in een bos. Daar kunnen immers “enge beesten” rondlopen.

Nodig bij het verstoppertje geen ransuil uit, mocht je dat willen. Als er één beest is die zich goed weet te verstoppen, dan is het misschien wel deze prachtige roofvogel. Dat bleek eens te meer tijdens mijn studententijd. Ik ging regelmatig met mijn kamergenoot vogelen in de omgeving. Op een middag in de winter ging ik met hem naar de uiterwaarden. We naderden een paar meidoorns en zagen zo op het oog niets bijzonders in die bomen. Voor de zekerheid ging ik even onder een van de meidoorns kijken of er toevallig braakballen lagen. Vliegen er plots vier ransuilen boven mij weg. Nooit gezien!

Het groepje meidoorns was hoogstwaarschijnlijk een roestplaats voor deze ransuilen. In de winter zoeken zij namelijk elkaars gezelschap op. Een roestplaats hoeft niet per se in een of andere natuurgebied te staan, er zijn roestplaatsen bekend midden in de stad. Het aantal ransuilen kan sterk variëren, van vier stuks in mijn geval tot wel twintig exemplaren. In uitzonderlijke gevallen kunnen aantallen nog verder oplopen. Er zijn roestplaatsen gevonden met meer dan 100 ransuilen. Belangrijk is natuurlijk om roestplaatsen zoveel mogelijk met rust te laten, bij verjaging verspillen deze prachtige vogels onnodig energie in de koude winter.

Diepte in het geluid

Ondanks dat de ransuil vaak onopgemerkt blijft, heeft hij wel het klassieke profiel van een uil. Vraag een willekeurig persoon om een uil te tekenen en meestal tekent men een uil met het kenmerkend gezichtsmasker, inclusief oorpluimen. Echter, die oorpluimen zijn niet zijn oren. Die zitten aan de zijkant ter hoogte van zijn ogen, verborgen onder het verenkleed. Het bijzondere aan zijn oren is dat deze niet op gelijke hoogte staan, maar dat het ene oor staat wat hoger dan het andere oor. Daardoor kan hij als het ware diepte in het geluid waarnemen. Dit stelt hem in staat om in totale duisternis uitsluitend op zijn gehoor een prooi te vangen.

Het broedseizoen van de ransuil begint in het algemeen halverwege maart. Hij maakt zelf geen nest en gebruikt bij voorkeur het oude nest van een kraai of een ekster. In uitzonderlijke gevallen broedt hij op de grond. In het nest komen tussen de vier en zes eieren te liggen. In muizenrijke jaren kan dit aantal oplopen tot acht stuks en dan kan hij bij uitzondering een tweede legsel beginnen.

Zoals bij veel andere uilen, begint het vrouwtje gelijk met broeden zodra het eerste ei is gelegd. Dit heeft tot gevolg dat er in het nest jongen van verschillende grootte voorkomen. Na ongeveer drie weken kunnen de jongen het nest al verlaten en klimmen ze door de bomen. Daar komt de naam takkeling ook vandaan. In die periode produceren de jongen regelmatig in de avond en nacht een kenmerkend piepend geluid. Na ongeveer vijf weken zijn de jongen vliegvlug en verlaten ze definitief het nest.

Het voedsel van de ransuil bestaat voor een groot deel uit veldmuizen. Daarnaast vangen ze allerlei andere kleine zoogdieren en staan vogels, kikkers en zelfs vis in kleine aantallen op het menu.

Paul Mentink ([email protected])

Nieuws

Meest gelezen