Alie Sok: 'Ik heb nooit de behoefte gehad om ergens anders te gaan korfballen.'

Korfbalster Alie Sok is lid van echt familieteam DOS’46: 'Als ik terugkijk, wil ik vaak de uitslag niet weten'

Alie Sok: 'Ik heb nooit de behoefte gehad om ergens anders te gaan korfballen.' Foto: Frens Jansen

Nijeveen - In deze ‘sportluwe’ periode staan we wekelijks stil bij de ‘Toppers van Toen’. Het gaat daarbij om succesvolle, aansprekende en bekende sporters uit Zuidwest-Drenthe en Noordwest-Overijssel. Hoe kijken ze terug op hun actieve sportcarrière? Vandaag deel 23: korfbalster Alie Sok (59) uit Nijeveen.

Je komt uit een echte korfbalfamilie, dus het was logisch dat je als meisje lid zou worden van DOS’46. Is dat ook het verhaal?

„Ja, en het is ook tegelijkertijd ook een bijzonder verhaal, want ik heb nog een poosje samen met mijn moeder Jannie en zusje Karla in het eerste team van DOS gespeeld. Heel uniek. Dat was begin jaren tachtig. Het was inderdaad bijna vanzelfsprekend dat ik ging korfballen. Daarvóór ging ik altijd al mee om te kijken. Toen DOS’46 nog in sporthal Het Vledder in Meppel speelde, was het heel vaak helemaal vol. Dan zaten we weleens voor de banken en rondom het speelveld. Lid worden mocht overigens pas als je 8 jaar oud was, en verder was er in Nijeveen in mijn tijd ook niets te doen voor meisjes. Ik word dit jaar 60 en ben dus al meer dan 50 jaar lid. Daar heeft de club onlangs nog aandacht aan besteed, met bloemen en een speldje.”


Wanneer had je het idee dat je het korfballen wel in de vingers had en hoe anders was het toen, in vergelijking met nu?

„Ik was een jaar of 15, 16 toen ik in het eerste kwam. Zowel op het veld als in de zaal. Al ben ik volgens mij in de zaal nog een jaartje teruggegaan naar de junioren. In die tijd waren we al actief op het hoogste niveau. Dat is niet te vergelijken met nu. Op het veld speelden wij toen op een grasveld met drie vakken en grotere afmetingen. Vaak was het kleigrond, dus als het slecht weer was, was het lastig spelen. Tegenwoordig hebben de grotere verenigingen allemaal kunstgras. Wat mij wel opvalt, is dat er vroeger meer strijd was tussen de teams. Echte derby’s, zeg maar. Dat is in het huidige korfbal veel minder. Wel ligt in het huidige korfbal de trainingsintensiteit weer vele malen hoger. Al met al vind ik dat door die aanpassingen het spel wel leuker is geworden. Ik volg het nog wel. Alle teams in de Korfbal League hebben een livestream , dus je kunt gewoon meekijken of later terugkijken. In dat geval wil ik de uitslag niet weten. Ik ben daar best nog wel fanatiek in. Als het mooi weer is, wil ik op het veld ook nog weleens kijken, maar niet altijd.”


Je speelde van 1975/1976 tot en met 1991 met veel succes in het eerste van DOS’46. Wat is jou het meeste bijgebleven, als je kijkt naar jouw behaalde prestaties?

„In 1982 werden we kampioen in de zaal en op het veld. Later dat jaar werden we in Nijeveen ook nog eens Europees kampioen. Dat was een erg succesvol jaar en ook de periode dat ik met mijn moeder en zusje speelde. Ik werd al vrij snel geselecteerd voor de jeugdteams van Oranje, en later voor het grote Oranje. Dat was in 1982 en uiteindelijk heb ik zo’n 20 interlands gespeeld. Vaak waren dat er maar twee per jaar, uiteraard tegen België. Eentje op het veld en eentje in de zaal. Ik heb ook meegedaan aan twee wereldkampioenschappen en… twee keer gewonnen. In 1983 in België en in 1987 in Nederland, de finale was in Ahoy in Rotterdam. Een jaar nadat ik mijn laatste interland in 1990 had gespeeld, ben ik ook gestopt bij DOS. Ik kreeg kinderen en daarnaast was ik 30 jaar. Ik had het allemaal wel een beetje gezien. Je moet er toch elke keer heel veel voor doen en laten, en daar was ik op een gegeven moment gewoon klaar mee. Dat had niks met DOS te maken, want de club neemt in Nijeveen nogal altijd een bijzondere plek in. Ook daarbuiten heeft het nog steeds een goede naam. Ik heb nooit de behoefte gehad om ergens anders te gaan korfballen. Waarom zou ik? Ik speelde hier op het hoogste niveau, het was dichtbij en we hadden een heel trouwe supportersschare. Dus wat moest ik bij een andere korfbalvereniging?”


Wat was je eigenlijk voor type korfbalster?

„Ik was eerst veel in de korfzone te vinden en ben mij steeds meer gaan ontwikkelen als aanvalster. Maar je leert in al die jaren natuurlijk ook hoe je moet verdedigen. Laten we het er maar op houden dat ik allround was. Nadat ik 1991 was gestopt, wilde ik na een paar jaartjes het korfballen weer oppakken. Dat was in 1995. Het was helemaal niet de bedoeling om weer in het eerste te spelen, maar Herman van Gunst die toen trainer was vroeg of ik wilde aansluiten. Ik was eigenlijk te gedreven en te fanatiek om in een lager team te gaan spelen, dus heb ik uiteindelijk nog drie seizoenen in het eerste gekorfbald. Eigenlijk wilde ik nog wel een jaartje door, maar ik kreeg steeds meer last van mijn knie en daardoor moest ik stoppen. Daar ben ik aan geholpen, waardoor ik fanatiek kon gaan tennissen en volleyballen.”


Een van jouw teamgenoten van weleer, Nico Buiten, die eerder in deze rubriek verscheen, is maar liefst 40 jaar korfbaltrainer geweest. Hoe zat het met jouw ambities op dat vlak?

„Die ambities heb ik totaal niet. Ook nooit gehad. Ik heb weleens wat DOS-jeugd getraind en deel uitgemaakt van een jeugdcommissie, maar verder niet. Het eerste van DOS heeft mij dit seizoen overigens positief verrast. Het staat na het vertrek van de trainer en de voorzitter (vorig jaar februari vertrokken trainer Pascal Zegwaard en voorzitter Frank Meulenkamp per direct, na een evaluatie en verschil van inzicht, red.) allemaal weer goed op de rails. Door het eerste te blijven volgen, blijf ik betrokken. Dat vind ik nog steeds leuk. Die binding die ik had met de vereniging, die houd ik ook.”