Paul Weerman, trainer van vv Staphorst, genoot in Münster en Meppen: 'Ik had vijf jaar eerder naar Duitsland moeten gaan'

Nu is hij trainer van derdedivisionist vv Staphorst, in het verleden was hij een ijzersterke aanvaller. Paul Weerman kwam na avonturen bij FC Emmen en BV Veendam in Duitsland terecht.

Paul Weerman is tegenwoordig trainer van de derdedivisionist vv Staphorst.

Paul Weerman is tegenwoordig trainer van de derdedivisionist vv Staphorst. Foto: Leo de Harder

Hij speelde daar in het shirt van Preußen Münster en SV Meppen. Vooral aan zijn eerste Duitse avontuur bewaart hij goede herinneringen. „Na acht weken kon ik niet meer stuk. Negentig minuten lang lopen, ik werd niet meer moe. Prachtig.”

Een jaar of 27 is hij. Na flink blessureleed is Weerman aan het peinzen, hij staat op een kruispunt in zijn loopbaan. Wat gaat hij doen, wat is de meest logische stap? De sprong vanuit de eerste divisie naar de eredivisie is te groot, weet hij.

„Dan denk je na”, blikt hij terug. „Helmond Sport-uit en dat soort wedstrijden, had ik wel genoeg meegemaakt. Mijn zaakwaarnemer had contacten in het buitenland.” En dan kan er zomaar een avontuur op je pad komen. Daarvoor staat Weerman open. „Niet eens financieel gezien, maar wel om de ervaring.”

Goede indruk in Münster

Preußen Münster wordt zijn bestemming. „Daar trainde ik een week mee, maar het was allemaal lastig met een contract.” En dus gaat hij enigszins teleurgesteld weer naar Nederland. „Maar ik had blijkbaar wel een goede indruk achtergelaten en het klikte goed met de trainer. Ze wilden me er graag bij hebben. Financieel was het alleen lastig. Twee weken voordat de competitie begon, belden ze alsnog om het rond te maken. Het kwam in een stroomversnelling en zo ging ik naar Münster.”

Het grote avontuur begint. Weerman heeft geen idee wat hij zich van de club en de Regionalliga, de op drie na hoogste voetbalklasse in Duitsland, voor moet stellen. Maar al snel maakt hij een zachte landing.

„In de paar dagen dat ik er trainde, voelde ik wel dat het bij me paste. Ik kwam in een hele leuke spelersgroep terecht. Er golden normale normen en waarden, dat was in Nederland al aan het vervagen. Het was gemoedelijk, er was respect tussen jong en oud. Niet alleen in het veld, maar ook in de supermarkt. Het was netter, eerlijker, opener. Vanuit Emmen was het bovendien goed te bereizen. Twee, drie keer per week verbleef ik in een hotel, de andere keren reed ik op en neer. En ik verbleef altijd bij teamgenoten. Dat kwam vooral omdat we op een dag twee keer trainden.”

Nu weet hij beter, maar in zijn beginperiode heeft hij eigenlijk geen idee: „Als ik dit geweten had, dan was ik vijf jaar eerder naar Duitsland gegaan. Je probeert het mensen in Nederland weleens uit te leggen, maar daar ben ik gauw mee gestopt. De Regionalliga of de 3. Liga? Mensen hebben vaak geen idee”, glimlacht hij.

„Op de site zag ik een stukje over RW Essen staan. Daar speelden we toen tegen, in mijn derde of vierde wedstrijd. Ik wist niet wat ik zag, we speelden volgens mij voor 12.000 man. En dat op het vierde niveau? Mensen hier kunnen het zich hier niet voorstellen.”

Debuut

De bonkige aanvaller debuteert thuis, tegen Chemnitz. Hij scoort direct twee keer. „Een mooie binnenkomer. We hadden twee weken zwaar getraind. In die fase vond ik het echt super zwaar. Ga ik dit volhouden? Maar dan kom je daaroverheen. Ik kreeg ook rood, tien minuten voor tijd. Een bijzonder begin”, grijnst hij.

„Je moet het als buitenlandse speler direct laten zien, als je dan twee keer scoort is dat wel heel prettig. Je bent snel een held en dan sta je op een voetstuk, maar scoor je een paar wedstrijden niet, dan pleur je daar ook hard vanaf. Heel extreem.”

Colin Bell is zijn trainer. De Engelse oefenmeester ziet het echt in Weerman zitten. Het doet hem goed. Na een paar goede wedstrijden en wat doelpunten is de interesse van Eintracht Braunschweig al gewekt. Maar de spits maakt gauw weer eens kennis met de keiharde wetten uit het voetbalwereldje.

„Een superaardige man. Keihard trainen, maar een geweldige trainer. Na acht wedstrijden werd hij ontslagen. Toen kregen we Hans-Werner Moors als trainer. Niet mijn man. Dat was voor mij gelijk het probleem, na wat mindere wedstrijden. Negen punten uit drie wedstrijden was best goed, alleen verloren we er daarna vijf op rij. Toen begon het gezeur. Spelers die door de andere trainer gehaald waren, hadden gelijk een probleem. Moors haalde er vijf andere spelers bij. Vervelend, want ik had het super naar m’n zin. Maar we presteerden toen slecht. Het leeft echt daar, ook qua supporters. Als we wonnen was het goed, ging het slecht dan kon je beter niet de stad in gaan ’s avonds.”

‘In Münster moesten we écht trainen’

Het leventje in Münster omschrijft hij als „schitterend”. „Ik mocht er graag zijn. Fijne mensen, je leeft daar echt als een prof. Alles werd goed geregeld. Echt een verschil met Nederland. In bereidheid, maar ook in arbeid leveren. Ik was Emmen en Veendam gewend. Nu moesten we écht trainen. Er waren momenten waarop ik dacht dat ik het niet vol zou houden.”

Hij grijnst. Lessen voor het leven zijn er geleerd, weet hij nu. „Ik combineer nu als trainer nog steeds dat ouderwetse loopwerk. Je wordt er niet minder van. Fitheid is de helft van voetbal. Fitheid is discipline. Wat we daar deden, werd gewoon maximaal uitgevoerd. Lopen is normaal, hoort erbij. Ze corrigeren elkaar ook. De warming-up bestond uit een aantal rondes inlopen. De jonge spelers mochten nooit aan de binnenkant lopen. Gebeurde dat wel, dan werd die speler direct gecorrigeerd. Geen probleem, zo ging het gewoon. Ik vond dat wel mooi, al heb ik dat harde trainen weleens vervloekt.”

,,Een half uur lopen, zo hard mogelijk. Lópen konden ze, niet normaal. Ik was een aanspeelpunt in de spits. De tweede of derde keeper liep voor mij. Dat mag echt niet. Het snot voor de ogen, dat was daar heel normaal. Een tempo d’r op. Sjonge jonge. Uitlopen? Half tien verzamelen, ontbijten en dan 45 minuten het bos in. In Nederland was het met een kater een rondootje doen en weer naar huis. Ik ging gewoon stuk. Als je denkt dat je moe bent, kun je echt nóg meer. Na acht weken kon ik niet meer stuk. Negentig minuten lang lopen, ik werd niet meer moe. Prachtig!”

Antoine van der Linden, een goede vriend van Weerman, kan erover meepraten. „Die speelde bij FC Groningen en ze speelden tegen Münster, toen ik daar al weg was. Zal wel meevallen, dachten ze. Ik belde hem later op. Wat denk je? 4-0 verloren. ‘Die gasten gingen erop, niet normaal’, zei hij.”

Uitverkocht stadion

In Nederland speelt Weerman als prof zelden in een uitverkocht stadion. Twee wedstrijden in Duitsland blijven hem voor altijd bij. „De eerste was uit bij VfL Osnabrück. Haat en nijd. We verbleven voor een uitwedstrijd altijd in een hotel. Dan gingen we samen eten, terug naar de hotelkamer en dan om half negen weer naar beneden. We hielden de wedstrijdbespreking en vervolgens nam iedereen één halve liter bier. En dan slapen.”

,,De volgende ochtend gingen we om half tien trainen, als we in de middag moesten spelen. Heerlijk! Anders hang je de hele dag maar. Vervolgens werd je gemasseerd, ook al wilde je het niet. Het was verplicht, want zo stond het op de lijst. Daar ging het super goed mee. Joseph Oosting is een goede vriend van mij, hij is nu assistent-trainer van Vitesse. Daar trainen ze onder Thomas Letsch nu ook op de wedstrijddag, bij een avondwedstrijd. De jongens voelen zich daar echt prettig bij.”

Osnabrück-uit, dus. Een beladen wedstrijd. „Een paar kilometer voor de stad kwamen er al vier politiemotoren voor en vier achter ons rijden. De stoplichten gingen op groen en zo werden we de stad in geleid. Vlak voor het stadion werd de bus bekogeld met appels en mandarijnen. Vlak voor de kleedkamers stond de ME twee rijen dik. Daar liepen we anderhalf uur voor de wedstrijd tussendoor. Het hele stadion zat een uur van tevoren al vol. Fantastisch. Ik vond het mooi. Een fluitconcert van een minuut. Schitterend! Dit was zo mooi. Mijn vader en moeder waren erbij. Die zaten rond te kijken, van wat is dit?! Sfeer, alles eromheen. Echt heel mooi.”

„Vier weken later speelden we uit bij FC St. Pauli”, vertelt hij. „Op een vrijdagavond, in het donker, in dat oude stadion. Een belevenis op zich. Qua sfeer heb ik nog nooit zoiets moois meegemaakt. De jongens zeiden al dat hier spelen op een vrijdagavond het mooiste is dat er is. En ja, het was fantastisch. Wilde je de kleedkamers in, dan moest je een kelder in. Daar hoorde je het stadion tekeer gaan. St. Pauli gaat telkens ‘op en neer’: het maakt niet uit in welke competitie ze spelen, het zit er altijd vol. We verloren er met 1-0, maar wat was het bijzonder.”