Jan Mankes schildert de ziel van de dieren. 'Het buitenleven inspireert me'

Je gaat het pas zien als je het doorhebt. Deze wijsheid van voetballegende en taalfenomeen Johan Cruijff dringt zich vanzelf op bij het zien van de tentoonstelling van Jan Mankes in Museum Belvédère in Heerenveen. Van de gerenommeerde kunstenaar die in 1889 in Meppel werd geboren, zijn vooral dierenschilderijen te zien.

Jan Mankes, Zelfportret met uil, 1911, olieverf op doek, 20,5 x 17 cm.,

Jan Mankes, Zelfportret met uil, 1911, olieverf op doek, 20,5 x 17 cm., Foto: Museum Arnhem, Arnhem

Opvallend zijn een grote uil, een torenvalk en een kraai op een kamerscherm, een steenuil op een beker, een tamme uil op de hand van de kunstenaar, een muisje op een boekje en een uil in een interieurschilderij met de moeder van de kunstenaar. Wat deze dieren bijzonder maakt is de huiselijke setting waarin ze geportretteerd zijn, terwijl ze toch niet standaard tot de categorie ‘huisdieren’ gerekend worden.

Als schilder permitteerde Jan Mankes zich opmerkelijke dichterlijke vrijheden die in zijn tijd heel uitzonderlijk waren. Hij geeft de dieren een ziel en portretteert ze alsof ze mensen zijn. De gedomesticeerde positie valt aanvankelijk nauwelijks op. Je gaat het pas zien, als je het doorhebt. Kijk bijvoorbeeld naar het schilderij van een oude geit. Niets menselijks is het dier vreemd. En wat te denken van het ‘portret’ van twee geiten die in hun stal gezellig staan te keuvelen als twee oude mannen op een leugenbankje. Als kunstenaar wilde Mankes één worden met zijn onderwerp. De dieren kon hij pas afbeelden in zijn schilderijen als hun ziel hem eigen was geworden.

Heilige Franciscus

Jan Mankes overleed al op 30-jarige leeftijd. In één van zijn laatste brieven reflecteert hij ontroerend op de betekenis van zijn schilderkunst. Heel voorzichtig probeert hij de waarde daarvan in te schatten. Ik moet nu al een balans opmaken”, schrijft hij. „Ik moet bedenken dat wat ik tot nu toe maakte mijn levenswerk zal blijven. Mijn hele leven heb ik geofferd aan dat ene doel: schilderen. Niet dat ik anders kón. Maar nu denk ik na en vraag me af: is het wel van enige betekenis geweest wat ik deed. Is het iets, of is het inderdaad veel wat ik de mensen gegeven heb? (…) Een goed dierschilder moest ik immers zijn? Hing ik niet met heel mijn hart aan de dieren en aan de schilderijen?” De twijfel die de schilder aan het eind van zijn leven overviel was uiteraard geheel ongegrond. Kunstrecensent Just Havelaar schreef enkele maanden voor Mankes’ overlijden: Hij blijft Nederlands belangrijkste dierenschilder. Hij mag met de heilige Franciscus spreken van ‘onze broeders’ de vogels.

„Het buitenleven inspireert me. Ik heb de heerlijke gelegenheid om geiten, ganzen, uilen, kraaien en roofvogels zelf te houden”, schrijft Mankes. Zijn bijzondere status als dierschilder is onomstreden. De kunstenaar die in 1904 in Meppel het diploma van de 3-jarige HBS haalde, ging aanvankelijk werken bij een plaatselijk huisschildersbedrijf. In 1905 verhuisde hij naar Delft waar hij zich opwerkte tot volleerd glasschilder. Tegelijkertijd volgde hij een avondcursus decoratief tekenen op de Haagse kunstacademie. Invloeden uit die tijd zijn terug te vinden in zijn stijl en schildertrant. Saillant detail is dat hij toen al gekweld werd door bijziendheid.

Vegetariërs

In 1910 exposeert Mankes voor het eerst enkele van zijn schilderijen in Den Haag en niet veel later ook in Amsterdam, Rotterdam en Utrecht. In 1913 leert hij Anne Zernike kennen. Zij was de eerste vrouwelijke predikante in Nederland en was aangesteld in de Doopsgezinde gemeente van De Knijpe. In 1915 trouwen Jan en Anne. Beiden zijn vegetariër en hangen progressieve ideeën aan met betrekking tot geloof, antimilitarisme, dierenwelzijn en geheelonthouding. In 1916 verhuist het jonge paar naar Eerbeek op de Veluwe, omdat bij Jan TBC is geconstateerd. Hij herstelt. In 1918 wordt zoon Beint geboren en in datzelfde jaar wordt Jan getroffen door de Spaanse Griep. Hij herstelt gedeeltelijk maar blijft bedlegerig. In 1919 koopt het Haags Gemeentemuseum drie bladen grafiek en twee schilderijen van hem aan. Ondanks die vroege museale erkenning bleef hij onzeker over de rol en betekenis van zijn werk.



Gods schepping

Mankes observeerde dieren in de vrije natuur of liet ze op bestelling bij hem thuis afleveren via zijn weldoener, kunstverzamelaar Aloysius Pauwels uit Den Haag. Pauwels ontpopte zich als Mankes’ beste vriend en mecenas. Hij stuurde regelmatig schildersmaterialen, kunstboeken en levende dieren naar De Knijpe.

Vooral in de kleinste dieren herkende Mankes het bijzondere van Gods schepping. Een kraai op een boomtak of een spin in zijn web vond hij even fascinerend als een geitje voor een hek of een egel in het bos. „Ik wil zolang een doekje koesterend bewerken, totdat het een stukje ziel wordt”, schrijft Mankes. Opvallend zijn de kleine formaten van de schilderijen en de uitzonderlijke intimiteit die ze uitstralen. Door aandachtige studie probeerde hij het wezen van dieren te doorgronden vanuit een diepgevoelde verwantschap. Daardoor kunnen al zijn kunstwerken als zelfportretten worden beschouwd. Zijn ongeëvenaarde inlevingsvermogen garandeert het dromerige en poëtische karakter van het werk dat hem zo geliefd maakte.

Tentoonstelling Jan Mankes - De dieren en de ziel der dingen is te zien t/m 26 september 2021

www.museumbelvedere.nl